In onze regio worden steeds vaker twee hardnekkige en schadelijke planten aangetroffen: doornappel en knolcyperus. Deze planten kunnen grote problemen veroorzaken in landbouwpercelen en vormen ook een risico voor dieren en omgeving. Het is daarom belangrijk dat je deze planten tijdig herkent en correct verwijdert.
Doornappel
De doornappel, ook wel duivelskruid of mollenkruid genoemd, kan tot twee meter hoog worden. De plant heeft opvallende witte bloemen. Ondanks het mooie uiterlijk is dit een zeer giftige plant. Een kleine hoeveelheid kan voor paarden en runderen dodelijk zijn. Voor mensen kan de inname van ongeveer tien zaden al levensgevaarlijk zijn. De plant komt de laatste jaren steeds vaker voor. Dat komt onder meer doordat de zaden tot 75 jaar in de bodem kunnen overleven. Bovendien bevat één zaaddoos veel zaden, waardoor de plant zich snel kan verspreiden.
Knolcyperus
Knolcyperus is een hardnekkig, grasachtig onkruid dat moeilijk te bestrijden is. De plant vormt ondergrondse knolletjes die jarenlang in de bodem kunnen overleven. Via deze knolletjes verspreidt de plant zich verder.
De knolletjes beginnen meestal vanaf mei uit te lopen, vooral in warme en losse grond.
Je kan de plant herkennen aan:
- roze voetjes
- wortels met typische ondergrondse uitlopers
Vandaag is naar schatting 5 tot 10% van de landbouwgrond besmet met knolcyperus. Besmette percelen vormen een belangrijke bron van verdere verspreiding.
Wat kan jij doen?
- Controleer regelmatig je percelen.
- Trek deze planten met de hand uit, liefst wanneer het nog een klein kiemplantje is. Draag altijd handschoenen.
- Stop de plant in een zak bij je restafval en zeker niet bij je GFT-afval of in je compostvat. Gaat het om een iets grotere hoeveelheid (te groot voor in je restafvalcontainer) dan mag je dit in een doorzichtige zak naar het recyclagepark brengen.