Geschiedenis van Loker 
De oudste
sporen van permanente bewoning in dit gebied zijn van de Menapiërs, een
Keltische stam waarvan onder meer te Kemmel en te Wervik archeologische sporen
zijn teruggevonden. Na de Romeinse verovering werd in de 1ste eeuw n.C. een
wegennet aangelegd waarlangs Romeinse bewoning kon groeien. Er zijn te Loker een
aantal Romeinse vondsten aangetroffen, die echter geen bewijs vormen van
permanente bewoning. Hoewel de naam zelf pas voorkomt vanaf de 11de eeuw,
gebeurde de feitelijke exploitatie van het gebied al vanaf de 9de eeuw. De
woning van de plaatselijke heer op de Galooiemote vormde het agrarische centrum.
De kern ervan was een toren of primitief kasteel in vakwerkbouw die in de 12de
eeuw in bakstenen werd herbouwd. Inmiddels had de werkelijke kern van de
nederzetting zich verlegd naar de huidige langgerekte dorpskern ten noordoosten
van de Galooie. Het was ook daar dat de kerk werd opgetrokken.
Bestuurlijk behoorde Loker tot de acht parochies, een militair-fiscaal onderdeel van de kasselrij Veurne-Ambacht. De geschiedenis van het dorp wordt traceerbaar in de 12de eeuw. Het behoorde toe aan het adellijk geslacht met dezelfde naam en was een vooraanstaande heerlijkheid met lage, middelbare en hoge rechtspraak. Het aanzien van deze heren wordt aangetoond door de moord op Walter van Loker, samen met de Vlaamse graaf Karel de Goede in 1127. Enkele decennia later kwam de heerlijkheid door huwelijk terecht bij het geslacht Dendermonde en vervolgens bij Béthune. Rond 1400 verkreeg de familie de Hornes dit gebied en zou dit behouden tot 1783. Na het verlaten van de Galooie beschikten de Lokerse baronnen over een kasteel bij het Groot Lokerhof waar ze zelden of nooit resideerden. Via huwelijk kwam het dorp bij de prins van Salm-Kirbourg tot de Franse Revolutie het einde van het feodale en leenheerlijke tijdperk inluidde.
De huidige
monumentale toren van de Sint-Pieterskerk ontstond wellicht na de oorlogsjaren
1477-1482. Ook het kerschip -met drie beuken een hallenkerk - dateert uit
dezelfde periode.
Loker lag ten volle in het door de protestantse stromingen "aangetaste" gebied. Meerdere inwoners zouden dan ook vervolgd worden. Loker zag een uitgestelde beeldenstorm op 12 januari 1568 . De bosgeuzen maakten een gewelddadige tocht door de streek waarbij ook een aantal priesters terechtgesteld werden. Te Loker werden beelden en vensters verbrijzeld en het kerkzilver gestolen. Kort nadien werd de orde hersteld maar slechts tot 1578. In die jaren veroverden de Gentse calvinisten vele steden en dorpen en maakten van de kerken protestantse bedehuizen. De belegering van Ieper en de streek in 1584 leidde tot de volledige ontvolking !
Vanaf ca. 1600 hernam de rust. De katholieke eredienst en infrastructuur werden hersteld en zouden ongeveer twee eeuwen met rust worden gelaten.
De vele (internationale) oorlogen in de 17de en 18de eeuw betekenden vooral een financiële ramp voor de bevolking maar van vernielingen was weinig sprake. Het kerkgebouw werd in die tijd meermaals een fort, met schildwacht op de toren en met het kerkschip als stal.
De oorlogen ten tijden van de Franse revolutie waren ook filosofisch geïnspireerd; Kerken en kloosters waren symbolen van een oude tijd en moesten verdwijnen. Dat bepaalde dorpelingen als vrijwilliger tegen de Fransen streden was een extra argument voor deze vernieling. Op driekoningenavond 1794 werd de Sint-Pieterskerk door de Franse revolutionaire troepen in brand gestoken. De Fransen hadden bovendien ook heel wat volkshuizen in brand gezet. In mei 1802 ging de kerk weer open voor de eredienst. Het gebouw was echter in lamentabele staat geraakt en werd op de toren en het koor na afgebroken. Er herrees een eenvoudiger kerschip met een enkele beuk. In 1898 kreeg de toren het huidige uitzicht met een platte kap en vier hoektorentjes.
De dorpskern bevond zich lange tijd net ver genoeg van het oorlogsfront zodat de schade te overzien bleef. Alles veranderde met het Duitse offensief van 1918. Op enkele dagen tijd werd het dorp volledig vernield. In 1919 reeds begon men de puinen op te ruimen wen wegen en velden te herstellen. Met de heropbouw zelf kon pas gestart worden zodra er zekerheid was over de geldelijk middelen die van de staat moesten komen. In afwachting van het herstel konden de mensen voorlopig terecht in een noodwoningen die tussen de puinen stonden opgesteld. A. Dumont uit Brussel was als architect aangeduid om de heropbouw van de openbare gebouwen van het dorp te leiden. Het grootste werk was het herstel van de kerk. Men koos voor een neogotische stijl, aansluitend bij de oorspronkelijke toren (die in 1939 beschermd werd) en opnieuw met drie beuken zoals voor de Franse tijd. Het werkje begin in de lente van 1923 en was drie jaar later min of meer afgerond. Intussen stonden ook de meeste private woningen weer op hun plaats.
Loker bleef in de 20ste eeuw een landbouwdorp tussen de opkomende toeristische centra in de West-Vlaamse bergen. Het beeld van het dorp met de merkwaardige kerk, genomen vanaf de Rodeberg met zicht op de Kemmelberg is het meest bekende beeld van Heuvelland.
